Topsportschool Redingenhof bestaat 20 jaar. Anke Vanheyste maakte er 17 van mee, eerst als opvoeder, de laatste 7 jaar als coördinator. Zelf was ze ooit Belgisch kampioen horden. Ze weet dan ook hoe zwaar de combinatie van topsport met onderwijs is. “Dezelfde leerstof verwerken in minder uren les, is niet evident. Veel leerlingen verzopen in het verleden. We kozen daarom voor een totaal nieuwe aanpak.”

Hoe komt een topsportleerling bij jullie op school terecht?

Anke Vanheyste: “Dat hangt om te beginnen van de sport af. De 5 topsportscholen in Vlaanderen werken nauw samen en verdelen de sporten. Voor volleybal (in de 1e graad), beachvolleybal en tafeltennis moet je in Leuven zijn. Voetbal vind je overal, maar Leuven is de enige school met een opleiding voor meisjes. 60 meisjes telt onze opleiding. 3 afgestudeerden van vorig jaar spelen nu bij de Red Flames.”

“Daarnaast moeten de leerlingen een topsportstatuut krijgen. Daarvoor leggen ze een aantal zware fysieke en/of teamtactische proeven af bij hun sportfederaties. Die adviseren Sport Vlaanderen, dat uiteindelijk het statuut toekent.”

“In totaal hebben we 166 topsportleerlingen, voornamelijk in de aso-richtingen natuurwetenschappen-topsport of economie-topsport. Daarnaast bieden we ook tso topsport en bso topsport-sportinitiatie aan. Met uitzondering van enkele Leuvense voetballers die avondtraining hebben op OHL zitten die allemaal op internaat. Dat is qua tijdmanagement het interessantst.”

Is dat tijdsmanagement het grootste probleem waar topsportleerlingen tegenaan lopen?

“Onze leerlingen zitten maar 20 lesuren op de schoolbanken. Maar ze moeten in die tijd wel dezelfde doelstellingen halen als alle andere aso-leerlingen voor bv. geschiedenis, aardrijskunde, wiskunde of talen. Als je die lesuren op een traditionele manier invult, is de combinatie met topsport heel moeilijk. Veel leerlingen verzopen in het verleden. Vorig schooljaar ontwikkelden we daarom een eigen aanpak onder het motto: ‘Adem topsport, ga voor goud’.”

Waar zit het grote verschil met vroeger?

“Onze leerlingen werken een groot deel van de tijd zelfstandig. Op vrijdagmiddag krijgen ze een studiewijzer met voor elk vak de doelstellingen, studiepakketten, instructie-uren, contactmomenten en deadlines. In het weekend stellen de leerlingen zelf een lesrooster op in functie van hun sportprogramma. Dat rooster opmaken, is elke week een grote puzzel.”

De attitudes op school moeten stroken met die op training. De driehoek school-sport-internaat vormt één team.

Anke Vanheyste

“Van die 20 uur werken de leerlingen in de tweede graad 60 à 70% van de tijd begeleid zelfstandig. In de derde graad stijgt dat naar 90%. Tijdens de bzl@work-uren mogen ze samenwerken en vragen stellen aan elkaar of de leraar. In de bzl@silence-uren wordt niet gesproken, zodat iedereen geconcentreerd kan doorwerken. Lukt dat, dan hoeven ze ’s avonds niet meer met de leerstof bezig te zijn. Zo halen we veel druk van de ketel.”

De leraar staat dus niet meer voor de klas, maar coacht vooral?

“Daar zat de moeilijkste omslag. Onze leraren moeten eigen studiepakketten maken, terwijl sommigen net graag hun verhaal brengen voor een groep. Maar we geven iedereen tijd om daarin te groeien. Collega’s volgen op eigen initiatief bijscholing. Ze werken ook meer dan vroeger vakoverschrijdend: wiskunde en fysica, geschiedenis en Nederlands. Dat vergt dan weer veel overleg. Wekelijks is er 3 à 4 uur teamoverleg op de ochtenden dat leerlingen op training zijn.”

“Niet elk vak is even geschikt voor BZL. Levensbeschouwing is meer een praatvak. Ook voor aardrijkskunde en geschiedenis zijn er meer instructiemomenten. Onze collega geschiedenis is een geweldige verteller. Daar maken we ruimte voor. Het breekt ook de vele uren zelfstandig werk. Toch zetten we ook daar voortdurend in op vakoverschrijdend BZL-werk. Een tekst uit de cursus geschiedenis kan prima dienen om voor Nederlands te leren samenvatten.”

Bestaat de rest van de week dan uit sport?

“We bouwen 12 uur training in per week. 4 dagen starten met een training van 8.30 u tot 11 u. 3 keer per week staat een avondtraining van 2 uur op het programma. We werken daarvoor nauw samen met het Sportkot. Daar beschikken we over een topaccommodatie.”

“De trainingen zijn een integraal deel van de opleiding. Wekelijks zit ik samen met de trainers en de directies van de federaties om het functioneren van leerlingen te bespreken. Dat is intensief, maar de attitudes op school moeten stroken met die op training. De driehoek school-sport-internaat vormt één team. We moeten van elkaar weten hoe we met de leerlingen omgaan. Zo kunnen we bij eventuele moeilijkheden kort op de bal spelen.”

Moet je een speciaal profiel hebben om les te geven aan topsporters?

“Je moet vanzelfsprekend topsport-minded zijn. Dat vraagt flexibiliteit. Het eerste lesuur na de training ’s morgens zijn leerlingen moe. Als ze op stage zijn, begeleiden we de leerlingen online. Evaluaties moeten dan verplaatst worden.”

“Onze leraren beseffen hoe belangrijk de sportprestaties zijn. Ze tonen interesse in resultaten van wedstrijden of merken het op als een atleet een record verbetert. Het sportieve interfereert voortdurend met het schoolse leven. Daarom zitten we heel kort op de leerlingen. We moeten snel kunnen ingrijpen als de resultaten niet goed zijn. We bespreken dan bv. met de coaches de motivatie of bekijken of we wat trainingstijd kunnen opofferen voor extra begeleiding.”

Is het voor sommige topsporters niet moeilijk om urenlang stil te zitten op school?

“De meeste leerlingen hebben de topsportmentaliteit om gedisciplineerd voor hun doel te gaan. Dat vertaalt zich ook in focus bij het begeleid zelfstandig leren. Dat is een voordeel. Onze leerlingen weten dat niet alleen de sportieve prestaties tellen. Het is belangrijk dat ze een diploma secundair halen.”

“De meest getalenteerde sporter kan zijn topsportstatuut verliezen als hij het te bont maakt op school of in het internaat. Maar zo ver laten we het niet komen. Bij problemen roepen we de ouders meteen naar school. Die samenwerking is essentieel.”

“Af en toe lukt dat minder goed. Als we een training schrappen voor begeleiding op school, vrezen sommige ouders meteen dat we de kansen van de toekomstige Lukaku fnuiken. Soms reageren ze heftig. In zo’n geval stellen we een contract op. Als leerlingen absoluut naar de training moeten, zijn de ouders verantwoordelijk als ze niet slagen.”

Sportieve druk gecombineerd met prestatiedruk op school, zorgt dat nooit voor problemen?

“Die druk is er, sowieso. Aan het einde van een graad zijn er héél zware sporttesten om te bepalen of leerlingen hun topsportstatuut kunnen behouden. In maart krijgen leerlingen de eerste signalen. Dat is heel hard. Leerlingen weten soms maanden op voorhand dat ze hun topsportstatuut verliezen. Ze moeten dan de school en het internaat verlaten op het einde van het schooljaar. Het is dan onze taak om samen met de opvoeders in het internaat de leerlingen te troosten en nieuwe perspectieven te zoeken.”

Welk kleiner aspect van jullie werking kunnen geïnteresseerde bezoekers meenemen uit jullie school?

“Alles is heel anders hier. Er zijn heel veel overlegmomenten, met leerlingen, tussen collega’s, met de trainers en de federaties en over de topsportscholen heen. Hoe meer muren je sloopt, hoe verrijkender en hoe beter de kwaliteit van wat je doet.”

Dit interview kwam tot stand naar aanleiding van schoolreizen en is het werk van Piet Creten en Nikie Lapaire.